"Exploring the future of work & the freelance economy"

Wie mag er eigenlijk namens de zzp’ers in de SER zitten?

Moeten zelfstandigen een eigenstandige positie krijgen in de SER? En zo ja, wie kan die zelfstandigen dan het beste vertegenwoordigen? Het gaat een beetje tussendoor, maar het lijkt er op dat daar al stappen in gezet worden.

De zelfstandigen moeten een “eigenstandige positie in de SER” krijgen. Dat zinnetje stond vorige week te lezen in het praatstuk dat VVD en D66 deze zomer hebben opgesteld om de formatie aan te zwengelen. Een poging die mislukt is, wat ook gelijk de status van dat stuk ongewis maakt.

Toch is dat zinnetje actueler dan het lijkt. Ook zonder regeerakkoord.

Deze zomer vroeg minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de SER namelijk om te bekijken of er aanleiding is om de samenstelling van de SER aan te passen. Zijn verzoek was om hierover vóór 1 januari 2022 een advies uit te brengen. Het woord zelfstandigen staat overigens niet in dat verzoek.

Betere plek in de polder

Dat verzoek kan niet los gezien worden van de wens van de Tweede Kamer om zelfstandigen een betere plek in de polder te geven. Judith Tielen (VVD), ondersteund door het CDA en D66, vroeg in een motie “om in overleg met de sociale partners ervoor te zorgen dat zelfstandigen een eigenstandige en aan werkgevers en werknemers gelijkwaardige positie in kunnen nemen in de polder.” De motie kreeg brede steun in de Kamer. Alleen de PvdA, GroenLinks en de Partij voor de Dieren stemden tegen deze motie.

In de Staatscourant roept de SER alvast organisaties op om zich te melden indien ze vinden dat ze een plekje aan de SER-tafel verdienen. Zzp-organisaties lopen zich alvast warm om zo’n stoel te claimen.

Positie zelfstandigen in de SER

Maar hier zitten nog wel een paar interessante haken en ogen aan. Om te beginnen zitten er in de SER al jaren vertegenwoordigers van zelfstandigen. Zowel de werkgevers als de vakbonden hebben al in 2010 al ieder een plekje ingeruimd voor een zzp-vertegenwoordiger. De voorzitter van PZO,  Roderick Pape, voorzitter van PZO en Irene van Hest –  sectorhoofd FNV Zelfstandigen – zijn op dit moment lid van de SER. Sinds kort zijn deze geüpgraded van plaatsvervangend lid, naar volwaardig lid.

Dat doen ze dan wel nadrukkelijk als onderdeel van respectievelijk de werkgevers- en werknemersdelegatie. Die twee delegaties zitten in de vergaderzaal ook tegenover elkaar. Met de onafhankelijke kroonleden er tussen in.

De Kamermotie heeft het dan weer over een ‘eigenstandige’ positie. Dus niet als onderdeel van het werkgevers- of werknemerskamp. Al was het maar omdat de mening van de huidige vertegenwoordigers nogal eens ondergeschikt bleek aan het belang van de werkgevers-werknemers-tegenstellingen.

Wellicht moet de SER-zaal zo ingericht worden dat er voortaan niet in een carré maar in een vijfhoek vergaderd wordt.

Wie vertegenwoordigt de zelfstandigen?

Relevanter is de vraag wie nu de meest legitieme vertegenwoordiger van de zelfstandigen is. De organisatiegraad onder zelfstandigen is heel laag. Daarbij is het pallet aan belangenbehartigers flink versnipperd. Met VZN is getracht een overkoepelende vertegenwoordiging op te zetten, maar een aantal belangrijke spelers­ waaronder de genoemde PZO en FNV Zelfstandigen, maar ook de Werkvereniging – zitten daar weer net niet bij.

Wellicht hebben we wat aan het Britse voorbeeld. IPSE, een grote belangenorganisatie van zelfstandigen, organiseert eens in de zoveel jaar een uitgebreide verkiezing voor hun voorzitter. Inclusief een campagnestrijd.

Hugo-Jan Ruts is 'editor-in-chief' en uitgever van ZiPconomy. Bekijk alle berichten van Hugo-Jan Ruts

6 reacties op dit bericht

  1. Het lastige is, dat ‘de zelfstandige’ niet bestaat. Er is een veelheid aan ‘soorten’ van zelfstandigen. Er zijn wel verschillende (reeds door jou genoemde, maar er zijn er meer) belangenbehartigers of lobbyclubs voor zelfstandigen, maar de vraag is wat hun legitimiteit is bij het voor of namens zelfstandigen praten. Er si sprake van vele splintergroepen, waarbij degene met de beste toegang tot de media of Den Haag, vooraan staan bij een discussie, maar niet per se als representatief gezien kunnen worden. Vaak vertegenwoordigen deze clubs ideeën van een beperkte groep en nog vaker in feite niet meer dan het idee van het bestuur van die club.
    Mooi voorbeeld van dat laatste was dat bij het tot stand komen van de wet DBA, een belangengroep van zelfstandigen pleitbezorger was van de afschaffing van de VAR (en dus noodzaak voor de wet DBA). Dat de achterban van deze club later de dupe werd van deze afschaffing had men niet bedacht en ook niet besproken met die achterban.
    Hoe dit te voorkomen bij toelaten van een vertegenwoordiging van zelfstandigen is lastig te beantwoorden.
    Dat de noodzaak er wel is, zodat niet er niet over de hoofden van de zelfstandigen heen besloten wordt over hun lot door partijen met andere belangen lijkt me wel evident. Invulling is nog niet makkelijk, gegeven het versplinterde werkveld en de verschillende groepen die daarin optreden.

  2. Eens met Joop: ‘de zelfstandige’ bestaat niet!

    Bovendien kan je werknemer en zelfstandige tegelijkertijd zijn. Of van zelfstandige met personeel in eens zelfstandige zonder personeel worden en omgekeerd.

    De Werkvereniging is de enige partij die niet in dit soort (achterhaalde) hokjes denkt, dus naast een zetel voor ‘ZZP’ers’ wil ik pleiten voor een zetel voor ‘Modern Werkenden’.

  3. En wie vertegenwoordigt het individu, de gepensioneerden, studenten, onverzekerden, al diegenen die niet meer of nog geen onderdeel uitmaken van het ecosysteem pensioenen? Niet alleen ZZP-ers maken geen onderdeel uit van de traditionele driehoek werkgever, werknemer, overheid.

    Hoe komt een bevolkingsgroep, die nog niet ‘binnen’ is erbij, terwijl het toch over een toekomst gaat waar zijn een deel van hebben uitgemaakt, zullen gaan uitmaken of zouden moeten uitmaken. Daar komt nog bij de pensioenen niet alleen worden opgebouwd binnen de context van een arbeidscontract, maar gewoon door hier te wonen, zoals de AOW, betaald door de overheid.

    Stichting Financieel Paspoort ijvert voor financiele zelfredzaamheid van het individu, in een wereld die steeds complexer wordt en waar steeds grotere groepen niet kunnen rekenen op de ‘zorgplicht’ van een werkgever.

  4. Wie er namens de zzp’ers in de SER mag zitten lijkt mij niet de meest prangende vraag. Dit is eerder een ‘verdeel-en-heers-vraag’ die, als we ons tot het formuleren van een antwoord laten verleiden – alleen maar afleid van de belangrijkste vraag: waarom vraagt minister Koolmees de SER om te bekijken OF er aanleiding is om de samenstelling van de SER aan te passen? Het antwoord op deze vraag is namelijk allang bekend. Zowel bij hem als bij de Tweede Kamer. Zo heeft de commissie Borstlap heel duidelijk te kennen gegeven dat de huidige vertegenwoordiging in de polder niet meer voldoet om de diverse problemen op de arbeidsmarkt effectief aan te kunnen pakken. En zoals beschreven is de motie Tielen door een brede kamermeerderheid aangenomen. Deze motie verzoekt de regering om, in overleg met de sociale partners, ervoor te zorgen dat zelfstandigen een eigenstandige en aan werkgevers en werknemers gelijkwaardige positie in kunnen nemen in de polder. Wat de minister de SER dus zou MOETEN vragen is niet of maar HOE zij denken dat zelfstandigen het beste een eigenstandige en aan werkgevers en werknemers gelijkwaardige positie in kunnen nemen in de polder. Dat de minister DEZE vraag niet stelt is zorgelijk.

    Binnen de SER zelf is deze vraag overigens makkelijk te beantwoorden. Een eigenstandige en aan werkgevers en werknemers gelijkwaardige positie betekent dat er 11 zetels onder de vertegenwoordigers van zzp’ers te verdelen zijn, aangezien werkgevers en werknemers ieder ook zo’n 11 zetels bekleden. De juiste vraag en titel van dit stuk zou dan ook moeten zijn wie er namens de zzp’ers in de SER MOGEN zitten.

    Dat de SER organisaties in de Staatscourant oproept om zich te melden indien ze vinden dat ze een plekje aan de SER-tafel verdienen, getuigd overigens niet echt van veel enthousiasme om nieuwe organisaties te verwelkomen binnen de SER. Ik weet niet wie van u de Staatscourant heel regelmatig van voor naar achter spelt maar wij hadden het geluk dat iemand ons erop wees. Kijk je vervolgens waaraan je als organisatie allemaal moet voldoen volgens het Besluit beleidsregels representativiteit van de SER, dan zou je hier best uit op kunnen maken dat de SER een zo hoog mogelijke drempel op werpt.

    De Werkvereniging heeft zich in elk geval niet laten afschrikken en zich bij de SER aangemeld omdat wij onze verantwoordelijkheid voor een werkend Nederland graag nemen en wij raden alle zzp organisaties aan om datzelfde te doen!

  5. en laten we dan lekker door elkaar gaan zitten in plaats van tegenover elkaar of in een vijfhoek want wij hebben namelijk het gezamenlijke belang om ervoor te zorgen dat iedereen in Nederland zo optimaal, gezond en gelukkig mogelijk kan (blijven) werken ongeacht de werk- of contractvorm.

  6. en nog iets:
    Er zijn 3 relevante stukken wet- en regelgeving:

    – de Wet op de SER
    – het Besluit beleidsregels representativiteit
    – de Algemene Wet Bestuursrecht

    De regering bepaalt welke organisaties in de SER zitten…
    De Wet op de SER bepaalt dat het aan de regering is om organisaties aan te wijzen (artikel 4, tweede lid). Voor aanwijzing komen in aanmerking naar het oordeel van de regering algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van ondernemers en naar het oordeel van de regering algemeen erkende centrale organisaties van werknemers. Ook bepaalt de regering hoe veel leden van de SER elke aangewezen organisatie mag benoemen (artikel 4, vijfde lid).

    In normale taal: als de regering vindt dat een organisatie ondernemers en/of werknemers kan vertegenwoordigen, dan mag de regering die organisatie aanwijzen. Bottom line: het is aan de regering om te bepalen welke organisaties zij aanwijst en hoe veel leden zij mogen leveren.

    … of heeft de SER daar ook iets over te zeggen?
    In het Besluit beleidsregels representativiteit stelt de SER allerlei aanvullende eisen. Aan die eisen zouden organisaties moeten voldoen om aangewezen te mogen worden. Dat is althans de indruk die ontstaat.

    Nee dus. De regering hoeft zich niks aan te trekken van de criteria die de SER zelf verzonnen heeft

    De aanvullende criteria van de SER hebben wettelijk gezien weinig waarde. Waarom? Omdat de eisen van de SER uitsluitend van toepassing zijn bij het geven van advies door de SER zelf (artikel 1 Besluit). De SER kan zelf dus heel gewichtig doen over haar eisen. Maar de regering hoeft zich daar niks van aan te trekken.

    De SER in de huidige samenstelling kan daar ook niks aan doen. Immers, volgens de Algemene Wet Bestuursrecht (artikel 4:81) mag een bestuursorgaan uitsluitend op eigen initiatief beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende bevoegdheid. De SER mag dus regels vaststellen over hoe te adviseren. Maar niet over welke organisaties de regering wel of niet aanwijst.

    Hoe doorbreken wij dit machtsvacuüm waarin nieuwkomers van het kastje naar de muur worden gewezen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *